Taigaboomkruiper
Taigaboomkruiper (Certhia familiaris)


Uiterlijk
De taigaboomkruiper wordt ongeveer 12,5 cm groot. Hij heeft een bruin gestreepte bovenzijde, een helderwitte buik, een witte wenkbrauw en een dunne, licht gebogen maar relatief korte snavel. Met zijn stijve staart klimt hij spiraalsgewijs langs boomstammen.
Voedsel
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine insecten, spinnen, larven en andere ongewervelden die uit boomschors worden gehaald. Met zijn fijne snavel zoekt hij voedsel in spleten en onder losse bast.
Leefgebied
De soort broedt vooral in gemengde bossen met een groot aandeel sparren en dennen. De Midden-Europese ondersoort leeft daarnaast in oude loofbossen met dood hout en loszittende schors.
Nestbouw
Het nest wordt gebouwd in boomspleten of achter loszittende boomschors. De soort heeft meestal één tot twee broedsels per jaar met vijf tot zes eieren. De jongen vliegen na ongeveer 17 tot 18 dagen uit.


Verspreiding
De taigaboomkruiper komt voor in grote delen van Noord-, Midden- en Oost-Europa en verder oostwaarts door Azië. In Nederland verschijnt de nominaatondersoort vooral als wintergast, terwijl de ondersoort macrodactyla in kleine aantallen broedt in Zuid-Limburg, Overijssel en Gelderland.
Populatie
Wereldwijd geldt de taigaboomkruiper als niet bedreigd. In Nederland is hij schaars en fluctueren de aantallen wintergasten afhankelijk van de weersomstandigheden in de noordelijke broedgebieden.
Vijanden
Natuurlijke vijanden zijn onder meer roofvogels, marters en katten. Eieren en jonge vogels zijn kwetsbaar voor predatie door boomklimmende zoogdieren en kraaiachtigen.
Bijzonderheden
De taigaboomkruiper is in het veld lastig te onderscheiden van de gewone boomkruiper. Vooral de zang, de kortere snavel en de opvallend witte onderzijde zijn belangrijke determinatiekenmerken.
